Een Formule 1-motor moet gemiddeld zeven tot acht races meegaan, terwijl hij onder extreme druk draait tot meer dan 10.000 toeren per minuut. Dat betekent dat één motor duizenden kilometers vol gas moet overleven in omstandigheden waar gewone motoren het direct zouden begeven.
Een Formule 1-motor gaat gemiddeld 7 tot 8 races mee. Dat komt neer op ongeveer 2.000 tot 3.000 kilometer. Dat lijkt misschien weinig, maar de omstandigheden zijn extreem. De motor draait vaak tussen de 10.000 en 12.000 toeren per minuut.
In theorie kunnen deze motoren tot 15.000 rpm draaien, maar teams beperken dat om slijtage te verminderen. Tijdens elke race, kwalificatie en training wordt de motor maximaal belast. Dat maakt de levensduur beperkt.
Daarom wordt elke kilometer nauwkeurig gemonitord door engineers. Teams mogen in 2025 maximaal 4 volledige power units per coureur gebruiken. Een power unit bestaat uit meerdere onderdelen, zoals het motorblok, turbo, MGU-K en batterij.
Veel teams proberen zelfs met 3 motoren het seizoen te starten om ruimte te houden voor later. Als een team meer motoren gebruikt dan toegestaan, volgt er een gridstraf. Dat betekent dat de coureur achteraan moet starten.
Vervangen gebeurt dus niet zomaar, maar op strategische momenten. Een moderne F1-motor is geen simpele verbrandingsmotor, maar een complex hybride systeem. De belangrijkste onderdelen:
| Onderdeel | Functie |
|---|---|
| Motorblok (V6) | Verbranding en basisvermogen |
| Turbo | Extra lucht en vermogen |
| MGU-K | Zet remenergie om in elektrische kracht |
| MGU-H (tot 2025) | Herwint energie uit uitlaatgassen |
| Batterij | Opslag van elektrische energie |
| Elektronica | Aansturing van systemen |
Samen leveren deze systemen in 2025 ongeveer 750 tot 800 pk. Vanaf 2026 blijft de V6-basis bestaan, maar de balans verschuift sterk naar elektrisch vermogen. De verbrandingsmotor levert ongeveer 400 kW (536 pk).
De MGU-K levert ongeveer 350 kW (469 pk). Samen komt dat neer op bijna 1.000 pk totaal vermogen. De MGU-H verdwijnt, wat de motor eenvoudiger maakt maar nieuwe uitdagingen oplevert. Daarnaast wordt volledig duurzame brandstof verplicht.
De slijtage van een Formule 1-motor is extreem hoog. Onderdelen zoals zuigers, lagers en turbines krijgen continu zware belasting. Zelfs een kleine vermogensdaling van 1% kan al reden zijn om een motor te vervangen.
Ook trillingen en temperatuur spelen een grote rol. Daarom controleren teams constant de motor via telemetrie.
Hoe teams bepalen wanneer ze wisselen
Motorwissels gebeuren meestal na een race of voor een nieuw raceweekend. Teams kijken naar data zoals temperatuur, slijtage en prestaties. Soms kiezen ze bewust voor een nieuwe motor tijdens zware races of triple-headers.
Oudere motoren worden dan gebruikt op minder kritische circuits. Dit is puur strategie: zo haal je het maximale uit het beperkte aantal motoren. Een enkele motor kost tussen de €10 en €15 miljoen. De volledige power unit kan oplopen tot ongeveer €20 miljoen.
Daarom zijn de regels zo streng: zonder limieten zouden kosten enorm oplopen. De FIA gebruikt deze regels om het speelveld eerlijker te houden. Ook het budgetplafond speelt hierin een rol. De belangrijkste feiten overzichtelijk:
| Onderdeel | Waarde |
|---|---|
| Levensduur | 7–8 races |
| Kilometers | 2.000–3.000 km |
| Max motoren per seizoen | 4 |
| Vermogen 2025 | 750–800 pk |
| Vermogen 2026 | ~1.000 pk |
| Kosten per motor | €10–15 miljoen |
De regels rond motoren zijn niet willekeurig. Ze zorgen ervoor dat teams niet onbeperkt geld uitgeven. Daarnaast dwingen ze teams om betrouwbaar te zijn. Een motor moet niet alleen snel zijn, maar ook lang meegaan.