Carlos Sainz trekt een harde conclusie na de Grand Prix van Spanje: zelfs als de Williams FW48 het minimumgewicht zou halen, is de auto nog altijd niet snel genoeg om te doen wat het team had beloofd.
Dat is een ander soort probleem dan een weegschaal kan oplossen. Na een twaalfde plaats in Barcelona, twee plekken buiten de punten en twee ronden achter op racewinnaar, nam Sainz geen blad voor de mond in zijn Spaanstalige perssessie.
De boodschap was helder: Williams heeft een fundamenteler prestatieprobleem dan de overgewichtsituatie alleen.
En dat maakt de positie van het team halverwege het 2026-seizoen aanzienlijk zorgelijker dan de constructeursstand van P8 al doet vermoeden. De Williams FW48 arriveerde bij de pre-season tests al flink te zwaar.
De auto slaagde niet voor een crashtest voorafgaand aan het seizoen, waardoor bepaalde onderdelen versterkt moesten worden. Die extra massa heeft een directe invloed op de prestaties, maar Sainz nuanceert dat beeld consequent.
“Als je het overgewicht weghaalt, kom je in de buurt van de punten”, zei Sainz. “Maar dat is eigenlijk niet genoeg.” Die uitspraak is veelzeggend, want hij plaatst het gewicht in de juiste context: het is een probleem bovenop een groter probleem, niet de kern ervan.
De kern is aerodynamische efficiëntie, of beter gezegd: het gebrek daaraan. Sainz omschreef hoe pijnlijk Barcelona was in de medium- en hogesnelheidsbochten, de bochtentypes die op dit circuit domineren en die bij uitstek aerodynamische kwaliteit vereisen.
De FW48 beschikt simpelweg niet over voldoende efficiënte downforce om daar competitief te zijn. “In een medium-speed circuit zijn we erg ver achter”, zei Sainz.
“Deels door het gewicht, maar nog belangrijker: de downforce die we in de auto hebben.” Dat is een technische eerlijkheid die niet door iedereen in de paddock wordt uitgesproken, zeker niet halverwege een seizoen waarop de verwachtingen hooggespannen waren.
De FIA en Pirelli hebben inmiddels bevestigd dat de meerderheid van de teams al boven de voorseizoensverwachtingen voor downforceniveaus zit.
Williams is een uitzondering in het verkeerde kamp: niet zozeer een stap terug ten opzichte van 2025, maar eerder een onvoldoende stap voorwaarts op een moment dat de rest van het veld harder heeft doorontwikkeld.
De verwachtingen lagen hoger dan de werkelijkheid toelaat
Williams sloot het 2025-seizoen af op de vijfde plaats in het constructeurskampioenschap. Teambaas James Vowles beschreef die positie destijds als een nieuw vertrekpunt richting serieus titelgevecht.
Halverwege 2026 staat het team op P8 met elf punten, achter Haas en voor Audi. Het gat met de teams boven hen groeit. Sainz formuleerde de teleurstelling met precisie:
In kwalificatie stond hij 1,8 seconden achter op de snelsten, in de race varieerde dat tussen 1,6 en 1,9 seconde per ronde afhankelijk van de fase. Dat zijn geen marginale tekorten die met updates te overbruggen zijn. Dat zijn structurele gaten.
“We zijn een seconde per ronde langzamer dan de frontrunners en dat is duidelijk niet goed”, zei Sainz. “We zijn ver van waar we moeten zijn, waar we naartoe wilden of waar we ons doelstelden.”
Die combinatie van persoonlijk, collectief en strategisch falen in één zin is ongebruikelijk direct vanuit een coureur die amper zes maanden bij zijn nieuwe team zit. Alex Albon, de andere Williams-coureur, haalde in Barcelona de finishlijn niet eens.
Ook zijn seizoensresultaten geven Williams weinig positieve signalen om op voort te bouwen. Het team heeft als geheel slechts elf constructeurspunten gescoord in zeven races, terwijl Alpine — vorig jaar nog hekkensluiter — inmiddels de vijfde positie in het constructeurskampioenschap bezet.
Die vergelijking met Alpine is betekenisvol, want zij illustreert precies waar Williams nu staat. Alpine profiteert maximaal van de Aerodynamic Testing Regulations, die teams met een lage eindklassering in het vorige seizoen meer windtunneltijd en meer CFD-iteraties gunnen.
Williams geniet van meer ontwikkelingsruimte dan Mercedes, Ferrari, McLaren en Red Bull, maar minder dan de teams eronder, waaronder Alpine.
De ATR — de Aerodynamic Testing Regulations — zijn ontworpen om het veld gelijker te trekken. Teams die laag eindigen krijgen meer testmogelijkheden in de windtunnel en meer CFD-rekentijd.
Williams had op basis van zijn vijfde plaats in 2025 al meer ruimte dan de topteams, en had die theoretisch kunnen benutten voor een aanzienlijke aerodynamische stap. Sainz verwees zelf naar die windtunneltijd.
“Gezien alle windtunneltijd die we hebben gehad en alle ontwikkelingsuren die in deze auto zijn gegaan, is een seconde per ronde achter op de frontrunners duidelijk niet goed”, zei hij.
Dat is een indirecte maar scherpe kritiek op de efficiëntie van de ontwikkelcyclus. De reden waarom het gewicht zo geleidelijk wordt aangepakt, heeft alles met de budgetcap te maken.
Williams heeft besloten om zo veel mogelijk onderdelen te gebruiken tot het einde van hun operationele levensduur voordat ze worden vervangen door lichtere versies.
Dat is een bewuste afweging tussen kort- en langetermijnkosten, maar het vertraagt de gewichtsverlaging in de praktijk.
Intussen ontwikkelen teams als McLaren, Red Bull, Ferrari en Mercedes hun auto’s op een ander niveau door, met minder ATR-ruimte maar met een aanzienlijk betere basisauto.
Het gat dat Williams nu moet dichten is daardoor niet alleen technisch, maar ook structureel van aard. De FW48 is inmiddels een soort bewijs geworden dat de ATR-regels weliswaar kansen bieden, maar geen garanties zijn.
Als de basisarchitectuur van de auto onvoldoende downforce genereert, helpt extra windtunneltijd alleen als die tot werkelijk betere aerodynamische oplossingen leidt, en daar zit momenteel het knelpunt.
Krijg als eerste toegang tot het laatste Formule 1-nieuws