De laatste twee Grands Prix legden pijnlijk bloot wat velen al vreesden: de huidige F1-richtlijnen werken niet meer. Waar ooit incidenten op de baan werden afgedaan als ‘racing incidents’, krijgen coureurs nu steeds vaker straffen voor situaties die simpelweg bij racen horen.
Het resultaat is een sport die vastloopt in interpretaties, willekeur en eindeloze discussies over wie op welk punt een paar centimeter verder naar voren zat. De kern van het probleem is dat de richtlijnen, die bedoeld waren als leidraad, steeds meer als harde regels worden toegepast.
Daarmee verschuift de focus van gezond verstand naar het afvinken van hokjes, en wordt de complexiteit van racen gereduceerd tot stilstaande beelden en meetpunten. Scott Mitchell-Malm ziet hoe de logica achter de regels is doorgeslagen.
“De wet van onbedoelde gevolgen heeft het streven naar consistentie ondermijnd. Het ‘wees geen eikel’-principe zou 95% van de duels moeten dekken. Maar de dood van de racing incident is slecht voor de sport.”
Volgens hem zijn de richtlijnen tegelijkertijd te gedetailleerd en te simplistisch. Alles wordt herleid tot posities van twee auto’s, terwijl context en discretie steeds minder meetellen.
Er zijn ervaren mensen binnen de FIA die prima beslissingen kunnen nemen, zegt hij, maar die ruimte krijgen ze niet.
Coureurs moeten verantwoordelijkheid nemen
Edd Straw benadrukt dat de huidige situatie ook het gevolg is van de eisen van coureurs. Zij wilden duidelijke kaders, en die kregen ze – maar tegen de prijs van een kunstmatige en vaak onwerkbare interpretatie.
“Het echte leven is te complex om volledig te codificeren. Ik zou liever een vast panel van professionele stewards zien die beslissen op basis van ervaring en precedent. Dat systeem is niet perfect, maar dwingt coureurs om verantwoordelijkheid te nemen.”
Hij stelt voor om de superlicentiepunten aan te passen, zodat terugkerende overtreders risico lopen op een schorsing zonder dat ieder incident tot een straf leidt.
Zo kunnen meer duels als gewone race-incidenten worden erkend, zonder de sport kapot te reguleren. Jon Noble wijst op een andere ontwikkeling: de manier waarop teams en coureurs de richtlijnen zelf misbruiken.
“Net als bij de technische reglementen worden ook de gedragsregels tot het uiterste getest. Coureurs verdedigen tegenwoordig minder natuurlijk, omdat de binnenste auto vrijwel alle ruimte mag claimen. Dat leidt tot rare situaties en straffen die niet passen bij wat er echt gebeurde.”
Hij noemt voorbeelden als de penalty van Carlos Sainz in Zandvoort en de straf voor Ollie Bearman in Monza, beide discutabele beslissingen die voortkwamen uit een te rigide toepassing van richtlijnen. Noble pleit niet voor het schrappen van de regels, maar voor meer terughoudendheid van de stewards.
De tussenweg zoeken
Glenn Freeman pleit voor het herstel van het middengebied dat ooit vanzelfsprekend was: het simpele racing incident.
“Het idee dat elke aanraking automatisch iemands schuld is, slaat nergens op. Coureurs worden nu gedwongen te verdwijnen als ze niet aan een magische grens van ‘alongsideness’ voldoen. Dat is gewoon dom.”
Hij wijst erop dat teams en coureurs dit systeem zelf hebben aangewakkerd. Iedere keer dat ze slachtoffer waren, eisten ze harde regels om hun onschuld te bewijzen. Maar zodra ze zelf schuldig waren, riepen ze “laat ons racen!”.
De hypocrisie van deelnemers maakt de situatie alleen maar erger. Wat alle stemmen gemeen hebben, is dat de huidige aanpak niet werkt. Richtlijnen zijn verworden tot starre regels, stewards voelen zich gedwongen schuldigen aan te wijzen, en coureurs spelen het systeem in hun voordeel.
Het racen zelf lijdt eronder. Een terugkeer naar meer discretie, een sterker panel van vaste stewards en het opnieuw omarmen van het racing incident lijken de enige manieren om de sport weer natuurlijker en eerlijker te maken.
Want hoe streng de regels ook zijn, één feit blijft overeind: Formule 1 is per definitie chaotisch, en niet elke botsing kan of moet opgelost worden met een straf.