De strijd om de toekomst van de Formule 1 wordt nu al buiten de baan uitgevochten. Carlos Sainz maakt duidelijk dat de grootste dreiging voor 2027 niet technisch is, maar politiek.
Dat is opvallend, want officieel draait het debat om powerunits, energieverdeling en technische aanpassingen. Maar achter de schermen speelt volgens de Williams-coureur iets heel anders: fabrikanten die hun eigen belangen verdedigen.
Carlos Sainz, inmiddels coureur bij Williams en tegelijk president van de GPDA, laat weinig ruimte voor interpretatie.
Volgens hem ligt er een voorstel voor 2027 dat exact past bij wat de sport nodig heeft, maar dreigt dat plan vast te lopen door klassieke Formule 1-politiek.
Tijdens het Grand Prix-weekend in Canada zei Sainz dat er opnieuw verschillende belangen botsen tussen de grote motorfabrikanten. Volgens hem is dat precies waarom de FIA en Formula One Management nu niet moeten twijfelen.
Hij noemt het onderwerp expliciet groter dan teambelangen. Zijn boodschap is dat de leiding van de sport moet beslissen op basis van wat goed is voor de Formule 1, niet op basis van wie het hardst lobbyt.
Daarbij gebruikte hij stevige woorden. Sainz zei letterlijk dat de FIA en FOM “tough” moeten zijn als zij geloven dat dit de juiste stap is voor de sport.
“Daarom kan ik de FIA en FOM alleen maar vragen om streng te zijn in wat zij denken dat het beste is voor de sport.”
Volgens Sainz moet die houding overeind blijven, zelfs als een stemming nodig blijkt om de wijzigingen door te drukken. De gesprekken draaien om flinke aanpassingen aan de technische regels die pas net voor 2026 zijn ontwikkeld.
Hoewel de nieuwe generatie reglementen nog moet debuteren, wordt achter de schermen al gewerkt aan correcties voor 2027. De kern van het voorstel is een verschuiving in de verhouding tussen verbrandingsvermogen en elektrische energie.
In plaats van de huidige opzet wil de sport naar ongeveer 60 procent verbrandingsmotor en 40 procent elektrisch. Dat zou gebeuren door de brandstofstroom van de V6-motor te verhogen.
Tegelijk zou de limiet op energie-uitrol worden verlaagd, terwijl de accucapaciteit juist omhoog moet om te voorkomen dat auto’s te vaak zonder elektrische energie komen te zitten tijdens een ronde.
Dat laatste is een belangrijk punt. Een van de zorgen is dat toekomstige auto’s te afhankelijk worden van energiebeheer, wat directe gevolgen heeft voor hoe hard coureurs daadwerkelijk kunnen racen.
De FIA meldde eerder deze maand dat er een “agreement in principle” ligt over de grote lijnen van de hardwarewijzigingen voor 2027. Maar over de details is nog geen definitief akkoord.
Waarom teams nu onder druk staan
Het probleem is timing. Teams werken al volop aan hun 2027-projecten, waardoor een laat besluit directe financiële en technische gevolgen heeft.
Grotere brandstoftanks of grotere batterijen kunnen betekenen dat teams hun chassis opnieuw moeten ontwerpen.
Dat is geen detail, want meerdere teams hadden juist gepland om hun 2026-chassis grotendeels door te trekken om binnen het budgetplafond ruimte te houden voor andere ontwikkelingsprojecten. Daardoor ligt nu ook een financiële discussie op tafel.
Teams moeten bepalen of er een eenmalige uitzondering op de cost cap komt om onverwachte extra ontwikkelkosten op te vangen. De FIA heeft hier een extra machtsmiddel.
Als wijzigingen nodig zijn uit veiligheidsoogpunt, kan de autosportfederatie in theorie zelfstandig ingrijpen. Dat maakt de politieke spanning nog groter.
Want zodra regelgeving ook zonder volledige teamsteun kan worden aangepast, verandert het machtsspel direct. Sainz stelt dat coureurs opvallend eensgezind zijn. Volgens hem zouden de coureurs vrijwel allemaal vóór deze aanpassingen stemmen.
Hij verwees ook naar wat eerder in Miami zichtbaar werd. Hoewel hij dat omschreef als een kleine stap vooruit, vindt hij dat de Formule 1 nog steeds niet op het punt staat waar de sport volgens hem moet zijn.
Daarmee maakt hij duidelijk dat dit debat niet alleen over techniek gaat, maar over het karakter van de sport. Wat moet een Formule 1-auto eigenlijk zijn? Sainz is daar helder over.
Elektrische energie mag volgens hem helpen, maar mag nooit de basis van het racen vormen. Hij zei: “Als er elektrische energie is, zou het een aanvulling moeten zijn in plaats van een afhankelijkheid.”
Williams-teamgenoot Alex Albon kijkt genuanceerder naar hetzelfde dossier. Hij erkent dat de 2027-aanpassingen volgens coureurs waarschijnlijk nog steeds niet genoeg zullen zijn om het pure, compromisloze racen terug te brengen waar veel coureurs van houden.
Dat betekent niet dat hij tegen het voorstel is. Integendeel: Albon ziet het als een werkbare tussenoplossing tot de volgende grote reglementencyclus.
Volgens de verwachtingen keert de Formule 1 in 2030 terug naar V8-hybrides met een kleinere elektrische component. Dat perspectief verklaart waarom sommige betrokkenen 2027 vooral als tijdelijke correctie zien.
Sainz deelt dat gevoel gedeeltelijk. Hij gaf toe dat zelfs een 60-40-verdeling voor puristen waarschijnlijk nog steeds niet ver genoeg gaat.
Zijn conclusie was opvallend scherp: “Het is in ieder geval iets waar je mee kunt racen totdat het echte racen en echte motoren terug komen in 2030.” De technische plannen lijken grotendeels bekend.
De financiële impact is inzichtelijk. Zelfs onder coureurs lijkt relatief veel steun te bestaan. Toch blijft één vraag alles blokkeren: willen teams en motorleveranciers dit echt? Sainz zei het zonder omwegen.
Iedereen heeft volgens hem een eigen agenda. Daarmee vat hij het hele conflict samen. Niet de techniek bepaalt nu de toekomst, maar de bereidheid van machtige partijen om iets te steunen dat misschien niet in hun directe voordeel werkt.