De frustratie van Stroll komt voort uit directe ervaring. Tijdens de break voor de Grand Prix van Miami stapte hij in andere auto’s, waaronder Formule 3-machines. Dat verschil was volgens hem enorm.
Die auto’s waren “duizend keer leuker” om te rijden, vooral omdat ze simpel reageren op wat een coureur doet. Hij legt uit dat je in zo’n auto met je rechtervoet precies krijgt wat je vraagt.
Geen ingewikkelde systemen, geen constante berekeningen op de achtergrond. In de huidige Formule 1 is dat anders. Coureurs moeten continu nadenken over energiebeheer, lift-and-coast en hoeveel gas ze geven.
“Het vernietigt het racen en de kwalificatierondes,” zegt hij daarover. Hij hoopt dat de aanpassingen richting Miami het iets verbeteren, maar blijft sceptisch.
“We zitten mijlenver van waar we zouden moeten zijn.”
Die uitspraak laat weinig ruimte voor nuance. Voor Stroll is dit geen klein probleem, maar iets fundamenteels. De regels voor 2026 brengen een grote technische verandering.
De powerunit wordt bijna gelijk verdeeld tussen elektrische energie en de verbrandingsmotor. Waar het nu ongeveer 80/20 is, gaat het richting 50/50. De elektrische component groeit sterk, met een MGU-K die stijgt van 120 kW naar 350 kW.
Tegelijk daalt het vermogen van de verbrandingsmotor van ongeveer 550–560 kW naar 400 kW. Dat betekent een duidelijke verschuiving in hoe de auto presteert. De auto’s worden ook ongeveer 30 kilo lichter.
Daarnaast komt er actieve aerodynamica en wordt de downforce met zo’n 30 procent verlaagd. Ook de luchtweerstand neemt flink af, met ongeveer 55 procent. Dat moet zorgen voor hogere topsnelheden en efficiëntere rechte stukken.
Maar volgens Stroll zit daar juist het probleem. Meer afhankelijkheid van elektrische energie betekent meer management, en dus minder puur racen. De FIA probeert meerdere doelen tegelijk te bereiken.
De sport moet duurzamer worden, maar ook spannender en competitiever blijven. Auto’s moeten elkaar beter kunnen volgen en inhalen moet makkelijker worden. Actieve aerodynamica en nieuwe systemen spelen daarin een grote rol.
Op papier klinkt dat logisch. Maar Stroll vindt dat de praktijk anders uitpakt. Hij ziet een sport die steeds complexer wordt. En hoe ingewikkelder het systeem, hoe verder het af komt te staan van het pure racen.
Coureurs vrezen energieproblemen
Een belangrijk punt van zorg is het energiegebruik tijdens races. Vooral op circuits met lange rechte stukken kan de batterij sneller leeg raken. Dat betekent dat coureurs mogelijk gas moeten liften of vermogen moeten beperken.
Precies dat soort situaties wil Stroll vermijden. Hij wil niet rekenen tijdens het rijden, maar gewoon aanvallen. Tijdens zijn vrije tijd keek hij oude races terug. Vooral beelden van Ferrari-auto’s uit de vroege jaren 2000 maakten indruk.
Die auto’s waren licht, snel en luid. De V8- en V10-motoren gaven een gevoel dat volgens hem nu ontbreekt. “Het zag er toen veel intenser en spannender uit dan nu,” zegt hij. Dat contrast blijft hangen.
Binnen de sport wordt al voorzichtig gesproken over een mogelijke terugkeer naar oudere motorconcepten. FIA-president Mohammed Ben Sulayem heeft interesse getoond in V8-motoren.
Ook Nikolas Tombazis benadrukt dat de sport niet volledig afhankelijk mag zijn van fabrikanten. Stroll hoort die geluiden, maar blijft realistisch. De komende jaren zit de Formule 1 vast aan deze regels.
“Ik weet niet wat er gaat gebeuren,” zegt hij. Toch hoopt hij dat de sport weer richting lichtere en luidere auto’s gaat. Auto’s waarin coureurs echt tot het uiterste kunnen gaan.
Volgens Stroll zit er een duidelijk verschil in perspectief. Voor de Formule 1 is het een business die goed draait. Mensen blijven kijken, races trekken publiek en de sport blijft groeien. Maar coureurs ervaren iets anders.
Zij voelen hoe de auto’s daadwerkelijk zijn. Hij stelt dat fans die de sport goed kennen, ook zien dat het anders is dan vroeger. Minder puur, minder intens.
“Het is triest dat we in deze situatie zitten.”
Dat gevoel van teleurstelling loopt als een rode draad door zijn verhaal. Het meest opvallende punt is misschien wel zijn antwoord op een simpele vraag: is het leuk om deze auto’s te rijden?
Zijn antwoord is kort en duidelijk: nee. Hij vergelijkt het met lichtere auto’s van 550 tot 650 kilo, die volgens hem veel fijner aanvoelen dan de huidige auto’s van 750 tot 800 kilo.
Daar komt nog het geluid bij. De oude motoren maakten indruk, terwijl de huidige generatie volgens hem weinig karakter heeft.
Krijg als eerste toegang tot het laatste Formule 1-nieuws