De discussie begon met de opmerkingen van Charles Leclerc na een moeizaam optreden. De Ferrari-coureur verklaarde dat hij vrijwel geen gevoel had in de auto en gaf tegelijkertijd complimenten aan Lewis Hamilton.
Ook liet hij weten dat hij de data van zijn teamgenoot wilde bestuderen om beter te begrijpen waar het verschil vandaan kwam. Volgens Windsor is het echter de vraag hoeveel Leclerc daadwerkelijk kan leren uit die gegevens.
Hij denkt dat de prestaties van Hamilton in belangrijke mate werden beïnvloed door specifieke omstandigheden op het circuit van Canada. Daarbij speelden volgens hem zowel de baan als de weersomstandigheden een belangrijke rol.
Toch stopt de analyse daar niet. Windsor wijst erop dat de nieuwe generatie Formule 1-auto’s vanaf 2026 nóg ingewikkelder wordt. Coureurs moeten steeds meer systemen beheren, steeds meer informatie verwerken en steeds vaker vertrouwen op instructies van hun race-engineer.
Dat zorgt volgens hem voor een extra belasting tijdens de race. Een coureur probeert niet alleen snel te rijden, maar moet ondertussen ook nadenken over strategieën, instellingen en aanwijzingen die via de radio binnenkomen.
Juist daarom vond hij een specifiek moment van Leclerc opvallend. In het laatste deel van de race gaf de Monegask namelijk duidelijk aan dat hij genoeg had van alle communicatie.
“Ik wil niet meer praten op de radio. Laat me gewoon rijden.”
Volgens Windsor was dat misschien wel de meest interessante opmerking van het hele weekend. Windsor zag nog iets anders gebeuren. Hij merkte op dat Leclerc vanaf ongeveer ronde 50 vrijwel iedere ronde langzamer was dan Hamilton.
Zelfs met een spin van Hamilton tussendoor bleef het verschil volgens hem aanzienlijk. Leclerc gaf na afloop aan dat daar niet te veel achter gezocht moest worden, omdat hij simpelweg de auto naar de finish wilde brengen.
Toch ziet Windsor daarin een interessant contrast. Hij vermoedt namelijk dat Hamilton juist succesvol was omdat hij zich bewust afsloot van een deel van de technische complexiteit die moderne Formule 1 met zich meebrengt.
Volgens hem heeft Hamilton mogelijk gekozen voor een veel eenvoudigere benadering. Niet eindeloos analyseren. Niet voortdurend in de simulator zitten. Gewoon weer vertrouwen op gevoel.
Windsor formuleert het als een mentale omschakeling waarbij Hamilton als het ware tegen zichzelf zei dat hij geen behoefte meer had aan alle extra informatie en simpelweg weer wilde racen.
Dat werkte volgens hem precies op een weekend waarin banden, asfalt en temperatuur perfect samenkwamen.
De radio is volgens Windsor onderdeel van het probleem
Vanuit die gedachte komt Windsor tot een opvallende conclusie. Misschien is het tijd om de radio tijdens races volledig af te schaffen. Hij wijst erop dat Max Verstappen al langer pleit voor een terugkeer naar de basis.
Volgens Windsor heeft Verstappen daar een punt. De journalist stelt voor om teams op vrijdag en zaterdag nog volledig gebruik te laten maken van radioverkeer tijdens trainingen en afstellingen.
Zodra de race begint, zou die communicatie echter moeten verdwijnen. In zijn ideale scenario rijden de coureurs op zondag met een veel eenvoudiger stuur. Slechts een beperkt aantal functies zou overblijven.
Rembalans zou mogen blijven. Differentieelinstellingen eventueel ook. Engine braking eveneens. Maar verder zou de bestuurder vooral zelf verantwoordelijk moeten zijn voor wat er op het circuit gebeurt.
Volgens Windsor zouden veel coureurs daarvan profiteren. Hij noemt onder meer Charles Leclerc, Oscar Piastri, Pierre Gasly en Oliver Bearman, maar denkt uiteindelijk dat vrijwel het hele veld voordeel zou hebben van zo’n systeem.
Critici zullen meteen wijzen op verkeer, blauwe vlaggen en veiligheidskwesties. Windsor ziet daarin echter geen onoverkomelijk probleem.
Hij benadrukt dat marshals langs het circuit nog altijd aanwezig zijn. Daarnaast beschikken de auto’s over waarschuwingslichten in de cockpit.
Sterker nog, volgens hem hebben de vlaggen van marshals zelfs voorrang op elektronische signalen. Een lichtsysteem kan immers uitvallen, terwijl een menselijke marshal in theorie altijd zichtbaar blijft.
Ook strategische keuzes zouden volgens hem terug naar de coureur moeten gaan. Wanneer moet iemand stoppen? Welke banden zijn het beste? Hoe lang kan een stint duren?
Dat zijn volgens Windsor beslissingen die thuishoren bij degene die daadwerkelijk in de auto zit. Hij verwijst daarbij naar situaties waarin Hamilton via de radio verbaasd reageerde op een pitstopoproep.
“De banden voelen geweldig. Waarom halen jullie me nu binnen?”
Voor Windsor is dat precies de kern van het probleem. De coureur voelt wat de auto doet. Niet de mensen op de pitmuur. De discussie wordt volgens Windsor perfect geïllustreerd door een beslissing van McLaren tijdens de GP van Canada.
Hoewel het circuit grotendeels droog was, koos het team ervoor om de auto’s op intermediates te laten starten vanwege mogelijke regen. Dat besluit werd gebaseerd op dezelfde weersinformatie die voor alle teams beschikbaar was.
Toch noemt Windsor die keuze absurd. Hij vermoedt dat er ook een politieke factor meespeelde. Volgens hem wilde niemand binnen het team het risico lopen dat de ene coureur een andere bandenkeuze kreeg dan zijn teamgenoot.
Daardoor ontstond een situatie waarin Oscar Piastri en Lando Norris mogelijk dezelfde keuze kregen, niet omdat dat sportief de beste oplossing was, maar omdat het intern eenvoudiger was.
Volgens Windsor is dat precies wat er misgaat wanneer teams te veel controle krijgen over het racen.
“De keuze van banden zou altijd honderd procent bij de coureur moeten liggen.”
Hij vindt dat een commissie of groep strategen nooit de doorslag zou mogen geven wanneer een wereldklassecoureur zelf in de cockpit zit en exact voelt wat de omstandigheden zijn.