De openingsrace van 2026 maakte meteen duidelijk dat McLaren niet het tempo had van Mercedes. Terwijl het team na Melbourne vooral naar de Mercedes-powerunit wees, stelt analist Martin Brundle dat het probleem breder is en dat de MCL40 ook een aerodynamische upgrade nodig heeft.
De regerend wereldkampioen begon het seizoen in Australië met een duidelijke achterstand. Volgens Brundle moet McLaren niet alleen beter begrijpen hoe het de Mercedes-powerunit gebruikt, maar ook de aerodynamica van de auto verbeteren.
Het raceweekend op Albert Park begon al met een duidelijk signaal van Mercedes. George Russell zette in de kwalificatie een indrukwekkende ronde neer en leidde een Mercedes 1-2.
Russell was 0,862 seconde sneller dan de McLaren van Oscar Piastri, die slechts de vijfde startpositie behaalde. Dat verschil liet meteen zien dat McLaren moeite had om het tempo van de Mercedes-auto’s te volgen.
Tijdens de race zelf bleef dat verschil zichtbaar. De Grand Prix van Australië bestond uit 58 ronden en eindigde met Russell als winnaar. Hij pakte de overwinning voor teamgenoot Kimi Antonelli en Ferrari-coureur Charles Leclerc.
McLaren kende ondertussen een moeilijke middag. Lando Norris was de enige McLaren-coureur die de finish haalde. Hij eindigde als vijfde, maar lag 51 seconden achter op de winnende Mercedes van Russell.
Voor een team dat als regerend wereldkampioen aan het seizoen begon, was dat een opvallend grote achterstand. Na de race probeerde McLaren te begrijpen waar het snelheidsverlies vandaan kwam. Teambaas Andrea Stella analyseerde de gegevens van de auto en zag een opvallend verschil.
Hij vertelde dat het team “een beetje verbaasd blijft” over het verschil dat in de data zichtbaar is tussen de snelheid van de McLaren en die van andere auto’s met dezelfde Mercedes-powerunit.
Volgens Stella wijst die analyse erop dat het team beter moet begrijpen hoe het de motor gebruikt binnen de complexe regels van 2026. Hij zei dat de data “duidelijk aangeeft dat we beter moeten begrijpen hoe we de powerunit moeten gebruiken met de complexiteit van de 2026-regels”.
Daarom pleitte Stella voor meer samenwerking met Mercedes HPP, de afdeling die verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van de motor.
Hij gaf toe dat McLaren zich voor het eerst echt in het nadeel voelt als klantenteam. Volgens Stella voelt het “voor het eerst alsof we op achterstand staan”.
Dat merkt het team volgens hem zelfs bij het voorspellen van het gedrag van de auto en bij het plannen van verbeteringen. Hij legde uit dat het moeilijker is geworden om “te voorspellen hoe de auto zich zal gedragen en hoe we hem kunnen verbeteren”.
Brundle wijst op tweede probleem
Martin Brundle denkt echter dat het probleem niet alleen bij de motor ligt. In zijn column voor Sky Sports F1 schrijft hij dat McLaren twee belangrijke punten moet aanpakken.
Volgens Brundle moet het team eerst volledig begrijpen hoe de Mercedes-powerunit functioneert. Hij verwacht dat McLaren “snel competitiever wordt wanneer ze de functies en het potentieel van de powerunit net zo goed begrijpen als het Mercedes-fabrieksteam”.
Maar dat is volgens hem slechts een deel van het probleem. Hij benadrukt dat de auto zelf ook verbetering nodig heeft. Volgens Brundle “hebben ze ook een aerodynamische upgrade nodig”.
Daarmee wijst hij op de aerodynamica van de MCL40 als tweede belangrijke punt waar McLaren aan moet werken. Volgens Brundle moet het team dus niet alleen de motor beter begrijpen, maar ook de luchtstromen rond de auto verbeteren om weer competitief te worden.
De race van Lando Norris liet volgens Brundle zien dat McLaren wel degelijk potentieel heeft. In de eerste helft van de race had Norris volgens hem “relatief weinig tempo”. Later in de Grand Prix veranderde dat beeld.
Norris en zijn team begonnen te experimenteren met verschillende instellingen voor het gebruik van elektrische energie. Brundle beschreef hoe Norris samen met zijn team “steeds grotere tijdswinst vond met verschillende manieren van batterijvermogen oogsten en inzetten”.
Daardoor kon Norris in de slotfase sneller rijden dan eerder in de race. Volgens Brundle ging de McLaren-coureur “aan het einde behoorlijk snel”, al merkte hij op dat Norris daarbij wel “frissere banden had dan de vier coureurs voor hem”.
Dat detail onderstreept volgens hem dat McLaren wel snelheid kan vinden, maar nog moet begrijpen hoe alle systemen optimaal samenwerken. De problemen voor McLaren begonnen echter al voordat de race überhaupt van start ging.
Oscar Piastri crashte namelijk tijdens de formatieronde. De Australiër verloor de controle over zijn auto bij het uitkomen van bocht vier. Zijn MCL40 spinde en belandde in de barrières. De schade aan de rechtervoorzijde van de auto was zo groot dat zijn race meteen voorbij was.
Piastri vertelde na afloop dat hij bij het accelereren een onverwachte vermogensstoot kreeg. Hij omschreef die als een “onverwachte en niet onbeduidende powerboost”. Die vermogenspiek droeg volgens hem bij aan het verlies van controle.
Brundle beschreef het incident als een combinatie van factoren. Volgens hem stond McLaren al met één auto minder aan de start toen Piastri zijn auto “in de barrières zette”. Hij legde uit dat de coureur werd verrast door “een combinatie van koude banden, een powerpiek en het raken van een kerb op hetzelfde moment”.
Volgens Brundle was het een hard moment voor de coureur en het publiek. Hij schreef dat het “bruut was voor hem en voor veel fans op zijn thuisgrand prix”. Tegelijk gaf Brundle aan dat zulke fouten in de autosport vaker voorkomen.
Hij merkte op dat “we allemaal wel eens zoiets hebben gedaan”, bijvoorbeeld onderweg naar de startopstelling. Daarbij verwees hij naar zijn eigen verleden als coureur. Hij herinnerde zich hoe hij “een gloednieuwe Tyrrell in Imola midden jaren tachtig kapot reed”.